Hier volgt het 3e en laatste deel van de fietsreis door Sulawesi. Wederom is dit deel geschreven door Sjoukje en betreft haar persoonlijke indrukken van deze tocht.

Ik wil haar bedanken voor deze 3 blogs. Ze heeft me hiermee een hoop werk bespaard. Vanaf de volgende blog kunnen jullie weer een blog van mijzelf verwachten en zal ik mijn backpacktochtje in het noorden van de Filippijnen beschrijven.

Vandaag eindelijk weer op de fiets, om te beginnen de doorsteek van het Minahasa schiereiland, dat hier in vogelvlucht maar zo’n 50 km. breed is.
We hebben wat moeite de stad uit te komen,  maar daarna gaat het vlot. Het eerste stuk is vrij vlak en de “ruggengraat ”  van het schiereiland levert ook niet echt problemen op. Die beginnen pas als we de kustweg naar het noorden inslaan. De bekende af en toe vervelend steile stukken klimmen.
Na enig zoeken vinden we Fort Orantje, dat onze voorvaderen hier zo’n 400 jaar geleden hebben gebouwd. Het ligt op een heuvel achter de vroeger waarschijnlijk vrij zompige kuststrook en heeft een wijds uitzicht over zee. De keurig gerestaureerde buitenmuren staan nog overeind en laten zien dat het fort zelf vrij bescheiden was van formaat.  Op de kaart staat het aangegeven als Benteng Oranje. Een verbastering van vesting?

Even verderop komen we bij Hotel Panorama, dat een even mooi uitzicht heeft, maar verder wel een opknapbeurt kan gebruiken. Doch het uitzicht is net zo ver en mooi als vanaf het fort en dat vergoedt veel.
De volgende dag beginnen we weer vol goede moed te fietsen,  maar het is een zwaar traject en rond lunchtijd als de brandende zon hoog aan de hemel staat,  besluiten we te proberen een lift te vinden naar Tomohon, ons volgende doel, 300 km.verderop. Maar we hebben deze ochtend toch wel weer 40 km. gefietst en dat betekent dat we wat betreft deze reis de magische grens van 1000 km. zijn gepasseerd.
Met hulp van de mensen bij wie we hebben mogen uitrusten vinden we een vrachtwagen, de fietsen gaan bovenop de cabine en wij erin. De chauffeur is heel voorzichtig, wat natuurlijk een goede zaak is, maar het betekent wel dat hij gemiddeld niet meer dan 25 km. per uur rijdt. We stoppen om koffie te drinken, een keer om wat te eten en dan weer bij een benzinestation, dat helaas geen diesel meer heeft. Daar staan we een half uur te wachten, het is inmiddels 21.00 uur en  aardedonker. De chauffeur heeft onderdehand wel  begrepen dat er maar één manier is om van ons af te komen. Dus stapt hij weer in en rijdt door totdat we tegen 22.30 uur het uithangbord van een hotel zien. Hij blij, wij blij. Al met al heeft hij ons 130 km. verder geholpen.

Vol goede moed gaan we de volgende dag verder. De weg wordt eindelijk zoals onze fietsende (heel bijzonder voor een inwoner van dit land) gastheer in Gorontola heeft beloofd: een heerlijk glooiend traject door een mooi groen landschap met kokos- en bananenplantages.
We zijn nu middenin Minahasa, de meest “vernederlandste”  regio van heel Indonesië.  In het midden van de 19e eeuw was vrijwel de gehele bevolking bekeerd tot het christendom en op de scholen was het Nederlands de voertaal. We verwachten dan ook weinig moskeeën meer te zien, maar die verwachting komt niet uit, al zijn de kerken wel in de meerderheid.  En hoe!
Het lijkt wel of er een architecturale godsdienstoorlog woedt, niet alleen tussen de verschillende geloven,  maar ook onderling. Fantastische suikertaarten, gouden koepels, glas in lood ramen, de meest kitscherige versierselen en niet te missen kleuren.
En dat in vaak vrij kleine dorpen/stadjes. Waar haalt men het geld vandaan? Later horen we dat het de mensen in de gemeente zelf zijn die betalen, ervan overtuigd dat hoe indrukwekkender de kerk, hoe beter God je hoort.
De goede, landschappelijk mooie weg en onze inmiddels aardig bijgespijkerde conditie maken dat we het bijna 100 km.  verder gelegen Amurang halen. Daar is een fraaie door Nederlanders gerunde homestay met heerlijk eten en een zwembad.
Een passende beloning voor de geleverde prestatie.
Als we onze gastheer vertellen dat we verbaasd zijn over het grote aantal kerken dat we onderweg hebben gezien, blijkt dat langs de 5 km. boulevard op weg naar de homestay er wel 15 staan. Een paar hadden we er wel gezien, maar 3 per kilometer?
De volgende dag gaan we weer de bergen in, richting Tomohon. De eerste 30 km. nemen we een mikrolet (klein busje), maar daarna moeten de benen weer flink aan het werk.
Tomohon is een aardg plaatsje, omgeven door vulkanen, o.a. bekend om de markt, waar op de vleesafdeling ook honden, katten, vliegende honen en slangen (python’s) worden aangeboden. Het is zondag, marktdag, en we constateren dat dit inderdaad het geval is. Dan liever de vleermuizen van Tentena?
De regentijd is hier zo langzamerhand wel een beetje begonnen en dat betekent dat veel wandelpaden moeilijk begaanbaar zijn. We kiezen ervoor een vulkaan te beklimmen met een verharde weg tot vlak onder de top en komen ongeveer tot halverwege met onze fietsen zonder bagage (die hebben we even bij een vriendelijke opticien mogen parkeren). Maar als het zó steil wordt dat ook Bert moet afstappen,  laten we ze achter op een redelijk  veilige plek en gaan we de laatste 2 1/2 km. te voet. Het regent zachtjes, het tropische woud glanst nat en laaghangende wolken creëren een  mooi sfeertje.

Nog een lange stenen trap op en dan staan we aan de rand van de onzichtbare krater.
Op de terugweg wordt het wat helderder en kunnen  we nog een paar mooie plaatjes maken.
Met de tassen weer op de fiets beginnen we aan de korte afdaling naar Tondano, aan het gelijknamige meer. Maar eerst nog een lekkere bapao voor we tegen 16.00 uur de stad uitrijden.

Het is al een beetje laat, maar de weg is niet moeilijk, want hij gaat voor het grootste deel omlaag . Wel moeilijk is het vinden van een onderkomen. Onze eerste keuze (uit de Lonely Planet) blijkt niet (meer?) te bestaan en de tweede zegt vol te zijn, hoewel we geen enkele gast zien. Dan maar naar de laatste optie, een lelijk, slecht onderhouden gebouw, dat van binnen ook niet echt aantrekkelijk is. Maar het is inmiddels donker en we zijn allang blij onderdak te zijn. Het lekkere en gezellige restaurant aan de overkant maakt veel goed.
Overigens waren we zeer verbaasd bij het binnenrijden van de stad in het midden van de rotonde standbeelden te zien van wat twee VOC hotemetoten lijken te zijn.
Helaas kunnen we de tekst op de sokkel niet ontleden.

Het is inmiddels maandag 5 november, mooi weer, en we beginnen deze dag heel relaxed met een rondje om het meer heen zonder bagage. Helemaal vakantie!
Het landschap doet ons denken aan de Italiaanse meren, zij het dan dat de bergen hier vulkanen zijn. Maar mooi is het!
Overal is te zien hoe men gebruik maakt van het meer om groente te kweken en visvijvers aan te leggen.
Onderweg passeren we verscheidene dorpjes en ongeveer halverwege worden we uitgenodigd voor de lunch. Een dozijn mannen, allemaal familie van elkaar, is bezig de tegenoverliggende kerk een nieuw verfje te geven (want Kerstmis komt eraan) en is net even gestopt om te eten. Leuk en lekker en het zoveelste bewijs van de grote gastvrijheid van de mensen hier.
Maar we moeten door, want we willen vandaag nog  Manado bereiken, vanwaar de boot naar het eiland Bunaken vertrekt.

We halen de bagage op en beginnen aan de heerlijke afdaling met af en toe prachtige vergezichten, ondanks de wat dreigende grijze, soms laaghangende wolken op de achtergrond.

Vlak voor we de stad bereiken breekt er een klassieke tropische regenbui los. Na een half uurtje schuilen stappen we maar weer op, hoewel het nog niet helemaal droog is. Fietsend in deze temperaturen houd je het immers so wie so niet droog.
We vinden een aardig guesthouse en eten die avond heerlijke saté in een restaurant dat terecht in de Lonely Planet wordt aanbevolen.

Bert wil nog een nachtje in Manado blijven, maar ik heb zin om naar Bunaken te gaan, het duik- en snorkelparadijs, dat op een klein uurtje varen uit de kust ten noordwesten van de stad ligt. Het is een eilandje van ongeveer 8 x 1.5 km, aan alle kanten omgeven door riffen. Vlakbij op een apart eilandje ligt een vulkaan, met de klassieke wolkenpluim bij de top.

Na aankomst rijd ik over het enige weggetje om te kijken wat de leukste plek is om neer te strijken. Als ik Franky’s Homestay passeer, wordt ik met gewuif begroet: op de veranda zitten allemaal mensen die ik al eerder heb ontmoet. Er is geen kamer meer vrij, maar een Frans meisje nodigt mij uit haar grote tweepersoonskamer met twee grote bedden met haar te delen.
Het is niet alleen een erg gezellige plek, maar er worden ook 3 x per dag heerlijke maaltijden geserveerd.
Ik was oorspronkelijk van plan om maar drie nachten te blijven en daarna nog anderhalve dag naar een natuurgebied 50 km. ten oosten van Manado te gaan, maar dat plan laat ik al heel snel  varen ten gunste van vijf dagen lang met een heel gezellig groepje mensen luieren in de hangmat, heerlijk eten, fantastisch mooi snorkelen en ‘s avonds een potje kaarten.

We maken met z’n allen ook nog een boottocht om dolfijnen (zgn. spinners) te zien. We zijn niet de enige boot, maar er zijn dolfijnen genoeg voor iedereen,  zeker een 150.
Eén ochtend regent het en als het na de lunch droog wordt ga ik op de fiets het eiland verkennen. Het niet – toeristische gedeelte heeft toch een andere sfeer. De huizen liggen verder uit elkaar, hier en daar lopen koeien rond en ik moet uitkijken voor de kleine, meest zwarte, varkentjes die heen en weer hollen. De volwassen dieren zijn niet groot, afmeting kleine Nederlandse big, en de kleintjes zijn echt schattige miniatuurtjes.
Bunaken is niet groot en heeft maar ongeveer 7.000 inwoners, maar toch twee kerken en één moskee.
Morgen is het zondag en moet ik écht vertrekken om maandag het vliegtuig naar Bali te kunnen halen.

Toevoeging van Bert:

Na een extra dagje in Manado om wat te “onthaasten” neem ik de boot naar het eiland  Bunaken waar ik inderdaad behalve Sjoukje ook een aantal reizigers tref die we eerder op o.a de Togean eilanden hebben ontmoet. Een gezellig clubje. Met een aantal van hen maak ik enkele prachtige dag- en nachtduiken. Een onvergetelijke ervaring. Schildpadden, witpunt rifhaaien en immense scholen vis, maar ook voor mij onbekende wezens zoals het kleine orangutang krabbetje en een aantal naaktslakken.  Wat een prachtige onderwaterwereld !

Op het strand neem ik afscheid van Sjoukje. Zij neemt de boot naar Manado waarna zij voor enkele dagen naar Bali vliegt om vervolgens terug te keren naar Nederland.

Ik heb nog een aantal dagen over om ten noordoosten van Manado het Tangkoko natuurreservaat te bezoeken. Het gebied staat bekend om zijn tarsiers (spookdiertjes). Kleine hamstergrote wollige diertjes met ogen als knikkers die s’nachts actief worden. Schattige beestjes. Behalve in Sulawesi komen ze o.a ook voor in de Filippijnen, maar deze zijn groter. Het gebied herbergt ook verschillende families zwarte makaken, neushoornvogels en de beer koeskoes ( een buideldier dat in de bomen leeft). Een enthousiaste gids weet ze allemaal voor me op te sporen. Vooral de makaken laten zich goed benaderen en leveren dan ook leuke foto’s op. Na één dag moet ik het gebied helaas verlaten om op tijd op het vliegveld van Manado te zijn.

Het vliegtuig brengt mij naar Bali waar ik in Kuta mijn intrek neem in een hostel waar veel buitenlanders verblijven. Het ligt dicht bij het vliegveld van Denpasar. Hoewel het het drukste en meest toeristische deel van Bali is, zoek ik deze plaats  bewust op zodat ik  weer snel op het vliegtuig  naar de Filippijnen kan stappen, enkele dagen later. Mijn fiets kan ik hier voor langere tijd achterlaten. De oorverdovende discostampers die enkele straten verderop  s’avonds uit de kroegen klinken neem ik voor lief. De binnenlanden van Bali komen pas later aan de beurt.

Mijn visum voor 2 maanden in Indonesië is nu bijna verlopen. Tijd om het  land te verlaten. In Manilla wil ik opnieuw een visum aanvragen zodat ik wederom 2 maanden in Indonesië kan rondreizen.

BEKIJK DE FOTO’S EN VIDEO’S VAN INDONESIA – CYCLING SULAWESI