Het heeft even geduurd, maar hier is dan de volgende blog.

De blog gaat over de fietsreis over het Indonesische eiland Sulawesi, die ik samen met fietsmaatje Sjoukje maakte tussen 23 september en 20 november 2018.

Op 21 september moet ik na enkele vertragingen van mijn vlucht Ulaanbaatar-Beijing–Jakarta overboeken naar de omslachtiger route via Beijing en Kuala Lumpur. De geplande reisduur van 11 uur wordt daardoor ruimschoots overschreden en verandert in 32 uur. Vermoeid arriveer ik dan ook in Jakarta waar ik constateer dat mijn bagage inclusief fiets in Beijing is achter gebleven. Na een gedwongen korte nachtrust in het drukke Jakarta kan ik de volgende ochtend dan ook  zonder bagage en dus ook zonder extra bijbetaling voor de fiets het vliegtuig nemen naar Makassar. Ja ook hier: Ieder nadeel heeft zijn voordeel. De volgende ochtend kan ik de bagage in goede orde ontvangen op het vliegveld van Makassar. Die zelfde ochtend ontmoet ik, zoals afgesproken, Sjoukje in het hotel

De komende blogs zijn geschreven door Sjoukje en vertellen haar persoonlijke belevenissen van deze fietsreis. Ikzelf kom niet echt aan schrijven toe en krijg van haar toestemming haar verhaal op mijn website te publiceren.

Hier volgt haar relaas:

Als de landing inzet boven Makassar, zie ik heel veel minaretten verspreid over de gehele stad.
Later zal blijken dat iedere stad, wijk, dorp of gehucht op dit eiland een eigen moskee heeft of er één aan het bouwen is. Met geld van de gelovigen, met hulp van de staat of subsidie uit het buitenland?
Makassar is een grote, rommelige havenstad met een brede boulevard waaraan twee uit de kluiten gewassen moskeeën liggen, een haven met o.a. mooie traditionele houten schepen en een 16e eeuws keurig gerestaureerd Nederlands fort, Fort Rotterdam, met een aardig museum over de geschiedenis van het eiland.
Na er 2 dagen rondgekeken en een paar praktische zaken geregeld te hebben, stappen we de 27e op de fiets.
Het valt niet mee.
De 2-baans weg is wel goed, maar erg druk. Auto’s, pick-ups, vrachtverkeer en heel, heel, heel veel scooters. En die toeteren allemaal als ze je zien. Erg vermoeiend en dan heb ik het nog niet eens over alle mensen en kinderen die Hello Mistèrrr roepen.
Er lijken weinig verkeersregels geëerbiedigd te worden, maar men gunt elkaar de ruimte. Ondanks het feit dat er manoeuvres worden uitgehaald die het risico niet uit de weg gaan, verloopt het allemaal wel soepel.
Maar toch, na 2 dagen zwoegen, met rauwe keel en schrijnende ogen van alle uitlaatgassen, geven we het op en regelen een pick-up truckje dat ons brengt naar Bira, een vissersdorp op de zuidoost punt van Zuid Sulawesi.
Hier worden de traditionele houten schepen gebouwd die we eerder in Makassar al zagen.
Vanwege de mooie stranden is het ook een toeristenoord en we vinden een comfortabel guesthouse waar we 2 nachten blijven. Een heerlijke dag aan het strand, zwemmend en al snorkelend mooie visjes bekijkend, geeft ons voldoende moed om daarna weer op de fiets te klimmen.
En hoewel we grotendeels de hoofdweg blijven volgen is er nu veel minder verkeer en wordt het leuk.
Wel nog steeds erg warm en vochtig en dat zal niet veranderen.
We volgen de weg naar het noorden, wat heuvelachtiger daar waar hij een beetje landinwaarts gaat, wat vlakker naarmate hij dichter bij zee komt, maar vrijwel nooit echt vlak.

Tot nu toe was het wegdek over het algemeen vrij goed, maar tussen Watampone en Sinjay houdt het asfalt ineens op en worden we getrakteerd op een slecht onderhouden gravelweg. Grote stenen, zand en kuilen maken van het fietsen een uitdaging. Bruggen zijn er ook niet en tweemaal worden we een riviertje overgezet middels een bamboe vlot. Heel lokaal en erg leuk. Maar ook helemaal niet erg als er na 15 km. weer asfalt is.

Het landschap is niet heel mooi, zo tegen het einde van de droge tijd. Velden met gele stoppels waar de rijst is geoogst en nu hier en daar wat koeien grazen. Soms aardige vergezichten. Langs het hele traject is sprake van lintbebouwing. En dus in elk gehucht een eigen moskee of één in aanbouw. De ene muezzin galmt nog na op de achtergrond als de volgende zich alweer aankondigt.
Angst om honger en/of dorst te lijden onderweg is onnodig, overal zijn winkeltjes en warungs (eethuisjes) met allerlei lekkere hapjes en gekoelde drankjes. Alleen een koud biertje als beloning aan het einde van de dag is in dit zeer Islamitische land vaak moeilijk te vinden.
Overigens lijkt gelukkig niemand aanstoot te nemen aan een vrouw in fietsbroek.

Veel drinken is noodzakelijk, want met fietsen verlies je enorm veel vocht. Zoveel zelfs, dat ik ondanks de 4 liter water die ik onderweg drink, overdag nauwelijks hoef te plassen.
Hier en daar bij de dorpen zien we grote, hoge, rechthoekige gebouwen staan, met kleine ronde afgeschermde gaten in de muren en op het dak een klein hok met een rechthoekige opening erin en een microfoon er bovenop waar harde vogelgeluiden uit klinken. Als we eindelijk iemand hebben gevonden die voldoende Engels spreekt om ons uit te leggen waar ze voor dienen, horen we dat het gaat om de nesten van de zwaluwen die erin worden gehouden. Zwaluwen bouwen hun nesten met speeksel en dat is een geliefd onderdeel van traditionele Chinese medicijnen en de kostbare vogelnestjessoep en dus kostbaar. Goeie business!

Allengs wordt het landschap wat groener, vooral in de nabijheid van rivieren. Daar wordt het water in dikke pijpen onder de weg door in de irrigatiekanalen gepompt en kleuren de nieuw aangeplante rijstvelden groen.
Na een paar dagen komen we aan in Sengkang, gelegen aan het Tempe meer, bekend om de moerbei plantages en de zijdespinnerijen en -weverijen in de omgeving.
We trekken er een hele dag voor uit om in de morgen de spinnerij, die jammer genoeg niet actief is, en een weverij te bekijken, waarna we ‘s middags een boottochtje maken over het meer naar een groepje op van bamboe gemaakte platforms drijvende vissershuisjes. Primitief en pittoresk.
De vissers hebben op vele plaatsen hele lange bamboestokken, per 3 of 4 bij elkaar gebonden net als voor de bonen in de volkstuin, rechtop in het ondiepe water geplaatst om grote lappen drijvende waterplanten te verankeren. Hieronder kunnen de vissen zich verschuilen voor de hongerige visetende vogels en ook paaien, wat natuurlijk weer goed is voor de vangst.
Mooie zonsondergang.

Het volgende doel is Palopo, dat we na tweeënhalve dag fietsen bereiken. Het is een mooi, vrij vlak traject. Groene rijstvelden, veel bananenbomen. Onderweg af en toe stalletjes met fruit, niets is zo lekker als een rijpe watermeloen, eten en drinken tegelijk.
Een stop elk uur of 10/15 km. is wel noodzakelijk om weer even bij te tanken. We proberen schaduwrijke plekken te vinden waar we wat kunnen uitrusten en worden af en toe uitgenodigd bij een huis. Twee vriendelijke dames bieden ons comfortabele stoelen, gekoeld water en pisang goreng aan. Ergens anders zien we er kennelijk zo moe uit dat een mevrouw een kleed uitspreidt op de veranda, twee hoofdkussens neerlegt en ons uitnodigt voor een siësta.
Dat zijn leuke ontmoetingen.

Onderweg passeren we voor het eerst een paar Christelijke kerken in dit Moslim-gedomineerde land. Het is zondag en een gospelachtig gezang doet ons even stoppen. Maar de kerkdeur is dicht, dus we kunnen niet zien wat er binnen gebeurt.

Palopo is een stad met allure. We rijden binnen over een brede 2-baans avenue waaraan indrukwekkende overheidsgebouwen liggen. Eén lijkt wel de kathedraal van Oudenbosch.
Al snel vinden we een wisma. Dat is een klein soort hotel, soms vrij netjes en schoon, soms wat minder. Wel altijd met airco en badkamer, soms met douche, vaker met een grote bak water om te mandiën.
De bedden hebben vaak niet alleen hoofdkussens, maar ook nog een lang rond kussen als een dikke rol drop, het soort dat de Engelsen een Dutch wife noemen.
In de middag rijden we wat rond door de stad en ‘s avonds eten we een heerlijk gegrild visje.

Vandaag is het maandag 8 oktober.
De bedoeling is om vanuit Palopo naar Rantepao in het Toraja-gebied te gaan. Dat is het (culturele) hoogtepunt van eenieders Sulawesi-reis.
Maar eerst moet Bert hier de verlenging van zijn visum regelen. Het is onduidelijk hoe lang dat zal duren, want de server met het hoofdkantoor in Jakarta doet het niet. Ik besluit vast vooruit te gaan, want in Toraja-land is het vast nóg leuker dan in Palopo. De weg erheen is 55km. lang en stijgend. Dus het is mij wel 6 Euro waard om een plekje voor mijzelf ìn en voor de fiets òp een bemo (klein personenbusje) te bemachtigen.  Het is een schitterende tocht de bergen in met prachtige vergezichten.  Eenmaal aangekomen is Rosalina’s Homestay snel gevonden. Een heerlijk comfortabel en schoon onderkomen aan de rand van Rantepao met een terras met uitzicht over de rijstvelden. En, wat heel normaal lijkt, maar hier toch vrij bijzonder is, in de badkamer is een wastafel! En die heet hier ook wastafel.

Vele woorden die je onderweg tegenkomt herinneren aan de koloniale tijd: handoek, knalpot, koekje, lekker, notaris, kantor, kuitansi, es (ijs), ban (band), leveransi en  korupsi. Het lijkt erop dat de Nederlandse woorden gebruikt zijn voor die zaken, die men hier niet kende voordat de Nederlanders in de 16e eeuw arriveerden.  Maar we hebben, behalve een gids bij Fort Rotterdam, bijna niemand gesproken die nog Nederlands spreekt. Aan de andere kant zijn veel woorden in bahasa Indonesia, vooral die die over eten gaan, voor ons Nederlanders weer heel herkenbaar.
Rosalina en haar man spreken redelijk Engels, wat heel plezierig is en niet vanzelfsprekend.

Bert heeft intussen besloten mij maar achterna te komen en het visum op de terugweg op te halen.
Die nacht regent het voor het eerst en dat zal het de volgende dagen ook af en toe doen.  Maar altijd aan het einde van de middag,  in de avond of  ‘s nachts, zodat we er weinig last van hebben.
De volgende ochtend gaan we naar de markt. Die is zeer uitgebreid, werkelijk alles is hier te koop.  Ik heb nog nooit zó veel verschillende soorten rijst gezien, zowel wat betreft vorm van de korrel als kleur. Van wit tot  zwart en alles daartussenin.
Maar het interessantste deel is de veemarkt, verdeeld in een buffel- en een varkenssectie. Die van de buffels is verreweg het grootst en belangrijkst. De dieren vertegenwoordigen hele familiekapitalen en worden dan ook goed verzorgd, ze krijgen lekker groenvoer en regelmatig een douche tegen de hitte. Aan het einde zitten nog een aantal mannen met vechthanen, die worden vertroeteld als schoothondjes.

Rantepao ligt in het hart van het Toraja-gebied en is dus een perfecte uitvalsbasis.
Er zijn drie zaken die de cultuur van de Toraja’s kenmerken: de architectuur, de ceremoniën rond begraven en het feit dat men hier overwegend christelijk is. Er zijn protestantse en katholieke kerken, net als bij ons te onderscheiden aan het kruis of de haan op de toren.
De drie belangrijkste diersoorten hier zijn de buffel, het varken en de (vecht)haan. Houten buffelkoppen sieren de voorgevels van de huizen, alsmede de horens van de vele buffels die in het verleden zijn afgeslacht.  Zowel huizen als schuren zijn ook gedecoreerd met gestileerde hanen. De schuren staan tegenover de huizen, meestal drie per huis. Zo’n complex van schuren en huizen heet een tongkonan, een indrukwekkend geheel want zo’n huis is soms wel 30 m. hoog.

De ceremoniën rond de begrafenissen zijn langdurig en bloederig.  Er worden vele varkens en buffalo’s geslacht. Hoe meer status de overledene(n) had (den), hoe meer dieren eraan gaan. Dag 1 arriveren de gasten en leggen de varkens het loodje en meestal ook één buffel. Dag 2 komen er nog meer gasten. Dag 3 is het einde voor de resterende buffels en op dag 4 is de begrafenis. Traditioneel wordt de kist bijgezet in een uit de rotsen uitgezakte opening, maar als dat niet kan ook wel in een klein grafmonument. De kist wordt naar de laatste rustplaats vervoerd op een baar als een miniatuur huis, die bij de begraafplaats achterblijft, waardoor het soms wel een rommelig zootje is.

De openingen waar de kisten in worden bijgezet worden afgesloten door een soort balkonnetjes waar poppen staan die de overledenen herdenken, tau tau’s genaamd.
Deze verzameling is wel het mooiste wat we op dit gebied hebben gezien.
Wat ik nog vergat te zeggen, is dat de huizen en schuren prachtig gedecoreerd zijn met kunstig in aardse tinten geverfd houtsnijwerk.

Wij wonen de eerste dag van een begrafenis bij. De  ceremonie begint rond 9.30 uur, dan arriveren de gasten. Zwart blijkt ook hier de kleur van de rouw. Er zijn twee overledenen, lower middel class wordt ons verteld.  Opa is al in juli gestorven (en gebalsemd in zijn kist thuis bewaard) en Oma in september. We komen twee Spanjaarden tegen met een gids, die ook aan ons uitlegt wat er gebeurt. Er zijn tenten neergezet met platforms om op te zitten (schoenen uit), mannen en vrouwen gescheiden, maar niet heel strikt. We krijgen  koffie en thee met koekjes aangeboden, terwijl er allerlei aankondigingen en toespraken klinken. De gids,  zelf een Toraja, zegt dat voor het officiële gedeelte Hoog-Toraja wordt gebruikt,  dat hij wel verstaat, maar niet goed spreekt. Ondertussen komen er steeds mannen met een aan twee stokken vastgebonden varken langs op weg naar de slachtplek achteraan. Voor zeker een stuk of vijftien varkens betekent deze dag het einde.

Zo’n ceremonie is een kostbare zaak.  Een beetje buffel kost al gauw 1800 Euro’s , een varken het tiende daarvan. Het ziet er voor ons heel rommelig uit allemaal, maar er is wel degelijk sprake van structuur en organisatie.

BEKIJK DE FOTO’S  EN VIDEO’S  VAN INDONESIA – CYCLING SULAWESI